Een avond in de Synagoge

Over het lot van gehandicapten in de Tweede Wereldoorlog

Door Anne Helmus

Alweer enige tijd geleden vond er een symposium plaats in de Synagoge van Groningen. Op deze avond stond het lot van gehandicapten centraal in en rond de Tweede Wereldoorlog. Naast aandacht voor het lot van dove joodse mensen, waren er schrijnende verhalen te horen over deportaties van psychiatrische patiënten. Marlieke de Jonge, ervaringsdeskundige van Lentis en actief lid van Toegankelijk Groningen zegt: ‘We laten vanavond zien hoe gemakkelijk mensen een karikatuur van anderen maken, waardoor ze als wegwerpmateriaal worden beschouwd.’ Gedurende de avond werd het thema door een aantal sprekers nader toegelicht.

Agnes van Wijnen, onafhankelijk adviseur: ‘Over mensen met allerlei verstandelijke, lichamelijke en psychische beperkingen of chronische ziekten, en hun lot in het Nazitijdperk is in verhouding nog maar weinig bekend. Alle inrichtingen in het Duitse Rijk moesten mensen met ernstige psychische ziektes, misvormingen, verstandelijke beperkingen of ongeneeslijke ziektes melden, vooral diegenen die volgens de beoordeling niet meer kunnen werken of langdurig patiënt zijn in een instituut. De uitvoering van de systematische moorden, de ‘volwassenen euthanasie’ start in januari 1940 door middel van gaskamers.’ ‘Begin januari 1943 vond de vermoedelijk eerste deportatie in Nederland plaats van totaal bijna 1000 joodse patiënten uit instellingen in Den Haag en omgeving. In januari werden ook de joods psychiatrische patiënten uit ‘krankzinnigengesticht’ Oud Rozenburg bij Loosduinen weggevoerd, waarschijnlijk naar Westerbork.’ ‘Het meest bekende verhaal over mensen met een handicap in de Tweede Wereldoorlog is waarschijnlijk de geschiedenis over de ontruiming van Het Apeldoornse Bosch begin 1943. In het standaardwerk over de oorlog, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, beschrijft dr. Lou de Jong ook deze geschiedenis. In haar 4-meilezing op de Dam in 2021 benoemt Roxane van Iperen de massamoord op de ‘nutteloze eters’ zoals de Nazi’s hen zien, de 200.000 Duitse ouderen, chronisch zieken en gehandicapten. En ze noemt ook de ontruiming van de Nederlands-joodse instelling Het Apeldoornse Bosch, waar 1200 psychiatrisch patiënten en mensen met een verstandelijke beperking en vijftig personeelsleden werden weggevoerd en vermoord.’

Vier joodse bewoners van Groot Bronswijk worden uitgeleverd ‘Op 9 maart 1943, als de deportatie van joodse gehandicapten uit Nederland in volle gang is, worden vier joodse patiënten van psychiatrisch ziekenhuis Groot Bronswijk in Wagenborgen via Groningen naar Westerbork gebracht, onder leiding van een politieman. De directeur van Groot Bronswijk heeft opdracht gekregen om de vier joodse bewoners uit te leveren aan de bezetter. Dat gebeurt. Het zijn Betje Stoppelman, 47 jaar en haar zus Sientje Stoppelman, 35 jaar. Beide geboren in Oude Pekela. Verder Heintje Levie, 52 jaar oud en geboren in Termunten en Heiman Aptroot, 19 jaar en geboren in Hoogezand. Ze staan bij de bushalte op de bus van 10:50 uur te wachten met een koffertje, en weten niet waar ze heen gaan, alleen dat het te maken heeft met dat ze joods zijn. Vroeg in de volgende ochtend op 10 maart 1943 vertrekken ze samen met 1105 andere joden met het tweede transport van Westerbork naar Sobibor. Op 13 maart worden Betje en Sientje Stoppelman, Heintje Levie en Heiman Aptroot direct na aankomst in Sobibor samen met 1105 andere joden vergast en verbrand. Elk jaar op 9 maart om 10:50 precies worden ze herdacht bij ‘hun’ monument in Wagenborgen.’

Rense Schuurman, historicus vertelt over de helletocht naar Franeker. De Duitse bezetter vorderde in maart 1945 psychiatrische inrichting Dennenoord in Zuidlaren. Onder barre omstandigheden moesten 528 patiënten op transport naar Franeker. Rense vertelt: ‘Op 27 maart om vier uur beginnen 528 patiënten en een aantal medewerkers aan de reis naar Franeker. Het is ongeveer veertig minuten lopen naar het station in Vries. De boeren uit de omgeving zijn opgeroepen om met paard en wagen te komen helpen met het vervoer. De patiënten die ingenaaid zijn worden op wagens gelegd. De meeste patiënten kunnen lopen. Het is een lange stoet van sloffende mensen en boerenkarren in de richting van station Vries. Om tien uur zijn de laatste patiënten ingeladen. De trein begint pas om drie uur in de nacht te rijden. Een ooggetuige die de trein op het station in Leeuwarden heeft zien staan herinnert zich dat de trein zo volgepropt is dat veel passagiers er met een gebroken arm of been weer uitkomen. Uiteindelijk aangekomen in Franeker blijken veel patiënten zich in een deplorabele toestand te bevinden. De verpleegsters en dokters worden ondergebracht bij particulieren. Het verschil in huisvesting tussen patiënten en medewerkers is groot. De patiënten zitten massaal bijeengepakt in grote lokalen met weinig hygiëne. De medewerkers die ondergebracht zijn bij particulieren hebben duidelijk meer wooncomfort en betere voeding. Deze verschillende omstandigheden verklaren dat een groot aantal patiënten komt te overlijden en geen enkele medewerker. Om precies te zijn 56 patiënten gingen uiteindelijk dood als gevolg van de haast, het nagenoeg ontbreken van organisatie van de deportatie en de onverschilligheid van de bezetter. Na de oorlog werd er nagenoeg niet meer over deze tragedie gesproken. In de jaren negentig werden anonieme meerpersoons graven in Franeker geruimd, er zijn geen tastbare herinneringen meer. Het duurde vervolgens 68 jaar voordat er weer aandacht was voor deze deportatie.

Tot slot vertelt Marlieke de Jong over haar eigen ervaringen als kind van ouders met een oorlogstrauma. De onverwerkte trauma’s van haar vader dreunden door in de opvoeding. Door de oorlog beschadigde ouders In mijn familie heeft de oorlog heel gevarieerd toegeslagen. Eén grootvader heeft het Jappenkamp niet overleefd, de ander is gefusilleerd in St. Michielsgestel. Mijn vader zat in het verzet en in een kamp, in wisselende volgorde. Van het verzet is hij via de Binnenlandse Strijdkrachten doorgestroomd naar een leven als beroepsmilitair. Voor hem is de oorlog nooit overgegaan. Overdag was hij vooral een harde werker en verantwoordelijk officier. Als vader veel afwezig, maar bij vlagen ook heel leuk en creatief, een echt natuurmens. Dat wil ik ook even gezegd hebben: ik heb fijne ouders gehad, alleen hadden zij hulp moeten zoeken en krijgen, dan waren mijn broer, zus en ik minder vastgelopen. Marlieke vertelt dat ze met tussenpozen is opgenomen in psychiatrische ziekenhuizen, waaronder Dennenoord. Ze zegt: ‘Het verraderlijke van een oorlog is dat het een leven lang mee kan gaan en als je niet uitkijkt generaties lang. We moeten ervan leren en erover blijven praten.’