Geheime liefdes in de psychiatrie

en wat ervan komt…

Beste redactie van Lentis Magazine,

Al enige tijd heb ik gedacht dat onze familiegeschiedenis misschien ooit leuk is om op te schrijven in het Lentis Magazine. Tachtig jaar geleden hebben mijn opa en oma beiden de interne opleiding op Dennenoord gedaan, ze zijn getrouwd en hebben zeven kinderen gekregen, met mijn vader als jongste. In 1971 heeft mijn vader mijn moeder ontmoet tijdens de B-opleiding op Dennenoord, ik ben tijdens hun opleiding en nog voor hun diplomering geboren (1972). Na mijn geboorte ben ik naar de crèche op Dennenoord geweest en hebben wij als gezin altijd in Westlaren gewoond. Mijn moeder is tot haar pensioen op Dennenoord blijven werken. In 1991 ben ik de inservice B-opleiding gaan doen en daar heb ik mijn vriend ontmoet, wij zijn inmiddels 25 samen en hebben twee dochters (wij zijn beiden nog altijd werkzaam voor Lentis). Onze jongste dochter van nu vijftien jaar heeft al haar eerste gesprek gehad met de afdeling opleiding van Lentis, omdat zij straks graag intern de opleiding voor verpleegkundige bij Lentis wil gaan doen. Mijn jongere zus heeft ook de inservice B-opleiding gedaan en werkt bij GGz Drenthe. Oftewel een mooie genetische ‘aandoening’! Wellicht een mooi verhaal over hoe geschiedenis de toekomst samen brengt? Mochten jullie belangstelling hebben of meer willen weten dan hoor ik dit graag. Groet, Gaby

‘Ik liep wel even te foeteren toen ik vannacht om kwart voor een uit mijn eerste slaap werd gebeld om op een crisis af te gaan. Tot kwart voor vier was ik samen met een collega in gesprek met een mevrouw in crisis, midden in de binnenstad van Groningen. Als SPV werkzaam binnen Jonx ambulant Groningen heb ik er bewust voor gekozen om mee te blijven draaien binnen de crisisdienst van Lentis. Ik doe dit om feeling te houden met de gehele cliëntengroep en collega’s van Lentis. Jonx is toch wel en beetje een eilandje waar ik overigens met heel veel plezier werk. Net als in de rest van het land merken we binnen Jonx dat kinderen en jongeren het door corona extra zwaar hebben en in de knel komen met als gevolg somberheid, angst en een toename van eetstoornissen. We merken een toename van het aantal aanmeldingen. Ik werk met jeugd van 0 tot 18 jaar.’

Tegenover me zit Gaby, die een hele wakkere indruk maakt, ondanks de doorwaakte nacht. Haar gedachten zijn momenteel ook bij haar dochters die op dit moment allebei examen doen. ‘Ik ben geloof ik zenuwachtiger dan zij.’ ‘De oudste wil toegepaste psychologie gaan studeren en de jongste wil graag zo snel mogelijk bij Lentis aan de slag, zij houdt misschien een familietraditie in stand.’ Mijn belangstelling voor haar familiegeschiedenis werd gewekt door haar mailtje waarin ze de redactie van Lentis Magazine schreef dat haar familie al drie generaties lang bij Lentis en haar voorgangers werkt, waarbij het er op lijkt dat de vierde generatie straks ook werkzaam zal zijn binnen Lentis. Ze noemt het zelf een mooie genetische ‘aandoening’. Eerst examen geloofsleer halen ‘Mijn oma Geesje van Houselt is in 1928 gestart met de opleiding voor verpleegster. Ze werden liefdezusters genoemd. Tegenwoordig zou dit een heel andere betekenis hebben. Als je in die tijd aangenomen wilde worden als leerling was het een vereiste om je haar lang te dragen. Met kort haar, in die tijd noemde je die haardracht Polka Dot, werd je niet aangenomen. (Misschien dat in die periode de meer vrijgevochten vrouwen hun haar op die manier droegen en dat deze levensstijl niet te combineren was met het beroep van verpleegkundige). ‘Mijn oma had lang haar en werd dus aangenomen. Toen ze examen deed moest eerst het examen geloofsleer met goed gevolg worden afgelegd en daarna pas het praktijkexamen. Lukte het niet om het examen geloofsleer te halen, dan werd je loon met 25% gekort. Op een loon van acht gulden per week een forse korting. Oma heeft het gehaald. Ze vertelde dat de behandelmethodes in die tijd, met de inzichten van nu, heel bijzonder waren. Bijvoorbeeld onrustige en of agressieve patiënten werden langdurig in bad gelegd. Het bad werd afgedekt met een deksel met een uitsparing voor het hoofd. En af en toe klonk de noodhoorn, niet alleen om de aandacht op een noodsituatie te vestigen, maar ook om de patiënten bij elkaar te roepen om te gaan wandelen. Kregen verkering in het geheim In 1933 ontmoette ze opa Hendrik Drenth. Hij was verpleger. Ze kregen verkering in het geheim. Als hun relatie aan het licht zou komen, werden ze ontslagen. Best spannend. In 1934, de crisisjaren, werden alle medewerkers met 5% gekort op hun loon. Aan hen werd verder gevraagd om het eigen uniform te bekostigen. In 1936 verlooft het paar zich. Oma moet daarom vertrekken van Dennenoord. Ze gaat vervolgens werken in Amsterdam. Opa trekt de stoute schoenen aan en vraagt toestemming om te huwen. Dat doet hij bij de toenmalige geneesheer-directeur dr. Wetter. Hij krijgt geen toestemming. Want aan getrouwde verplegers moest meer loon betaald worden. Overigens werden getrouwde vrouwen niet geacht om te werken. In de opvatting van die tijd was het niet mogelijk om twee heren te dienen, te weten de patiënt en je echtgenoot. In 1939 trouwden ze dan toch, met toestemming van de directeur. Oma stopte met werken en opa bleef verpleger op Dennenoord. In 1963 ging opa in de Van Mesdag, het rijksasiel voor psychopaten aan de Hereweg in Groningen, werken, hij heeft daar tot zijn pensioen gewerkt.

Door Anne Helmus

Foto’s Anne Helmus en archief Gaby Drenth

Links: oma in 1929

Een schande om je kind naar de crèche te brengen In 1969 startten mijn ouders Alex Drenth en Geke Rubingh met de inservice opleiding voor het B-diploma. Mijn vader, hij was al werkzaam als arbeidstherapeut op Dennenoord, ging in de mannenflat De Fazant wonen. Mijn moeder betrok een kamer in De Eekhoorn, de vrouwenflat. Juffrouw Lam waakte over de dames om onregelmatigheden en bezoek van mannen met oneerbare bedoelingen te voorkomen. De dames werden ook door haar naar de eetzaal begeleid in een optocht als kuikentjes achter de moeder eend. Ondanks alle toezicht werd Gaby verwekt gedurende de opleiding. Dit alles vond plaats in het jaar 1972. In verwachting van een kind en allebei nog in opleiding. Ze gingen buiten Dennenoord wonen. Mijn moeder mocht de opleiding wel afmaken. Ze waren natuurlijk ‘in overtreding’ geweest: hadden een geheime relatie en kregen een kind. Dat mijn moeder kon blijven werken en de opleiding mocht afmaken, was te danken aan het toenmalige unithoofd Jan Barend de Vries. Na mijn geboorte moest mijn moeder fulltime werken, daarin had ze geen keus. Een parttime dienstverband, tijdens de opleiding was niet aan de orde in die tijd. Wat wel goed geregeld was, was dat er zich een crèche op het terrein bevond. Dit stond tegenover het hertenkamp. Daar ging ik naar toe als mijn beide ouders werkten. Mijn ouders kwamen in hun pauze langs om met mij de geitjes te voeren of een wandelingetje te maken. Het was trouwens in de ogen van veel mensen in die tijd een schande om je kinderen naar de crèche te brengen. Eenden slachten in de nachtdienst Mijn vader draaide in die tijd regelmatig nachtdiensten in het Noorder Sanatorium. Hij vertelde me dat ze, tijdens de dienst, eens eenden met een zaklamp gingen verblinden waardoor de beesten zich gemakkelijk lieten vangen en slachten. Vervolgens deden ze de eenden in de badkuip om het kaalplukken te vergemakkelijken, daarna werden de eendjes gebraden en verorberd. Gevolg van deze nachtelijk avonturen was wel dat de dagdienst de volgende dag tijdens het baden van patiënten ontdekten dat het water niet weg kon lopen omdat de afvoer verstopt was. Tijdens het ontstoppen kwamen alle eendeveren naar boven. Zo zijn ze betrapt en kregen hij en zijn collega’s een forse waarschuwing. Mijn vader wilde zich verder ontwikkelen en is de A-opleiding in het Academisch ziekenhuis in Groningen gaan volgen. Hij is binnen het UMCG blijven werken tot aan zijn pensionering. Mijn moeder is haar hele leven tot aan haar pensionering op Dennenoord blijven werken, eerst in de ziekenafdeling van De Enk en daarna op het Medisch Centrum.

Jan: ‘Trek je broek weer omhoog!’ Ik ben in Westlaren opgegroeid. Dit ligt tegen het terrein van Dennenoord aan. Als we naar het Bosbad gingen om te zwemmen nam ik de snelle route over het Dennenoord terrein. Veel kinderen mochten dat niet van hun ouders. Ze mochten sowieso niet op het terrein komen uit angst dat hun iets werd aangedaan. In die tijd was er nog angst en onbegrip voor psychiatrische patiënten. Voor mij was het terrein een eldorado, een waar speelparadijs. Ik heb in elke vijver gezwommen en in veel bomen geklommen. Samen met vriendjes klommen we vaak in de treurwilg bij het Hoofdgebouw, een prachtige verstopplek, vaak werden we betrapt en er uit gestuurd. Ook ontdekten we een ondergrondse hut en een gangenstelsel, wat later een schuilplaats van onderduikers bleek te zijn. Er lagen ook foto’s in de hut en spullen. Onze vondsten moesten we natuurlijk wel afstaan. ‘Schrijf dit maar niet op, we gingen ook wel eens met een aantal andere kinderen ‘patiëntje pesten’. We riepen ze dan, ze werden dan boos en kwamen ons achterna, het was dan hard rennen geblazen’. Patiënten van Dennenoord maakten in die tijd deel uit van het dorpsleven. Ik stond een keer in de boekhandel met mijn moeder, ik was een jaar of negen, toen een patiënt midden in de winkel zijn broek liet zakken. Hij stond daar in volle glorie zijn zaakje te showen. De andere aanwezige moeders wisten niet hoe gauw ze hun handen voor de ogen van hun kinderen moesten houden om hun dit aangezicht te besparen. Mijn moeder, die de patiënt kende, stapte resoluut op hem af en zei: ‘Zo is het wel genoeg Jan, trek je broek weer omhoog!’ Dat deed hij natuurlijk en verliet de winkel. Ik kan me herinneren dat ik toen heel erg trots was op mijn moeder en dacht: dat werk wil ik later ook gaan doen.’ Drie jaar hebben we het geheim kunnen houden Dat werk ging ik inderdaad werkelijk ook doen. Dat was niet echt een verrassing. In 1991 begon ik met de inservice B-opleiding. Vanuit Zuidlaren reed er een busje die de cursisten naar de opleidingslokalen vervoerde in de plaats Loon. Negen maanden ging ik naar school. Daarna ging ik als leerling verpleegkundige werken op Veldzicht, de Korsakov afdeling en Beukenrode. Na het behalen van mijn diploma ben ik gaan werken op de KKP in Groningen. Ik draaide daar destijds vaste nachtdiensten. Zeven dagen op, zeven af. Ik kreeg een relatie met mijn huidige vriend Harry Smit, hij werkt nu bij het FACT. Net als bij mijn ouders en opa en oma moest ook onze relatie eerst geheim blijven. Ook toen werd je geacht geen relatie met je collega aan te gaan. Twee jaar hebben we het geheim gehouden. Op een gegeven moment zijn we ervoor uitgekomen. Niet meer samen in de nachtdienst, we gingen andere diensten draaien en we zijn beide de SPV-opleiding gaan doen. Tijdens de opleiding tot SPV is onze oudste dochter geboren, ruim twee jaar later kregen we opnieuw een dochter. Het is de taal die we spreken Mijn jongste dochter wil dus ook bij Lentis gaan werken. Ik heb daar soms weleens een dubbel gevoel over. In de dertig jaar dat ik dit werk doe, heb ik met enige regelmaat dreiging, agressie en suïcides meegemaakt. Het is werk dat je persoonlijk raakt, je doet hele mooie maar ook belastende ervaringen op. Dat zal haar ook overkomen. Maar het hulpverlenen is haar met de paplepel ingegeven. Aan tafel gingen de gesprekken bijvoorbeeld over het oplossen van een crisis. Het is ook de taal die we spreken, totaal anders dan in andere beroepen. Toen de jongste vijftien was, lag het handboek voor de DSM-classificatie al op haar kamer. Zij zal dit jaar starten met de opleiding tot verpleegkundige, de oudste gaat toegepaste psychologie studeren, wellicht dat beide dochters een stage of baan binnen Lentis te wachten staat. Het zit in de genen, de zorg blijft trekken. Mijn zus en zwager, allemaal hebben ze een functie in de zorg. In de familie hebben we nu eigenlijk echt behoefte aan mensen die iets met hun handen kunnen of handig zijn. Een timmerman of elektricien erbij, dat zou pas handig zijn.’