Leefstijltraining, driekwart jaar later

‘Hoelang duurt die training Ursula?’ Het is de meest gestelde vraag van vriend, voorjaar 2020. De vraag klinkt als ik op zaterdagavond snoep­tomaatjes serveer, als ik op zondag­middag wéér wil wandelen, als ik mijn mannen aan tafel roep en taco’s met vegetarisch gehakt serveer.

Door Ursula Sennema

Ik volg de Lentis Leefstijl training, de eerste online-editie. Een groep via Teams, maar toch een echte groep. Voorafgaand is flink geregistreerd. Ik heb de FitBit gedragen, online-dagboekjes bijgehouden, alle gebieden van het leven komen voorbij. Voeding, beweging, ontspanning, slaap, uren in de buitenlucht. Ik bedenk wat langer te willen slapen, meer groente te eten, minder te piekeren. De FitBit laat me echter zien dat ik mijn slaapdoel (acht uurtjes) ruim haal. Doel behaald en dat gegeven verbetert mijn slaap verder. Dagelijks 10.000 stappen vind ik prima te doen. Ik heb er dagen bij van 20.000 stappen en dat geeft een kick. Het zijn wedstrijdjes met jezelf; lopen om de stappen te halen. Als het batterijtje aan de oplader ligt ga ik niet lopen, het telt immers niet mee. Na vier maanden neem ik afscheid van de FitBit; ook over beweging ben ik tevreden. Ik merk hoe goed buitenlucht me doet, ik maak vaker ommetjes door het dorp. Regelmatig loopt er een zoon mee, we hebben dan leuke gesprekjes. Ik werk met jongeren. Op een trainingsafdeling in Beijum-Oost. Nooit geweten dat Kardinge en het Beijumerbos zo mooi en groot zijn. Waar het enigszins kan doe ik met de jongeren een wandelcontact. Wandelend hebben gesprekken veel minder het karakter van een soort verhoor, zoals in een kantoortje, waarbij je vaak dezelfde vragen stelt en dus dezelfde antwoorden krijgt. Buiten-zijn geeft ruimte. Vaak gebeurt er iets verrassends, de verhoudingen verdwijnen, je ziet een andere kant van iemand. Stiltes mogen er zijn. Een koppeltje witte reigers stijgt op, een jonge hond komt op ons af, de zon schijnt op de klimtoren, een fietser zegt hallo. Een vrouw zwemt in het Zilvermeer, de dikke treurwilg in de verte komt steeds dichterbij, we bijten in een appel. Ik heb geleerd hoe het brein werkt, waarom beweging en vooral in het groen zo goed is voor dat hoofd. Hoe moeilijk veranderen is en dat geldt voor ons allemaal. Hoe het kan dat we terugvallen, juist door te hoog inzetten. Dat we bij vermoeidheid of ongemak eerder terug­grijpen op ongezonde gewoonten, oude patronen. Maar ook hoe het lukt (echt) om deze te doorbreken, om te veranderen. Door het zetten van kleine stapjes en die een tijd vol­houden zodat ze ingesleten raken, een bekende groef worden en het voorste deel van de hersenen, de prefrontale cortex, de regie krijgt en houdt. Hoe we stress kunnen verminderen en het emotie-gedeelte in het middelste deel van de hersenen onder aanvoering van ‘gevaren­detector’ de amygdala in bedwang kunnen houden. ‘Terug in je hok jij.’

Niet wat wil je veranderen maar, wat wil je behouden?

Ik maak kennis met het mantra van de kleine stapjes, toepasbaar op vrijwel alles. Als het niet lukt: maak het stapje kleiner en leuker. Wanneer je een ander of jezelf coacht, niet de eerste vraag: wat wil je veranderen maar: waar ben je tevreden over, wat wil je behouden? Nu, februari 2021, ben ik nog graag bezig met Leefstijl. Ik merk dat ik er lol in heb. Het is me gelukt meer groenten te eten, zes boter­hammen worden vier, in plaats daarvan gaat er een bakje groen­voer met noten mee naar het werk. Iets meer tijd voor het koken en lang­zamer eten leidt tot meer voldoening. Ik experimenteer en varieer vaker, ik probeer eens in de week vegetarisch te koken. Soms lukt het en dat is genoeg. Ik ben milder geworden als het een dag of meer minder goed lukt. Iedere dag is een nieuw begin, ik pak het sneller weer op.

Ik krijg als feedback dat ik enthousiast overkom. ‘Ga zo door Ursula.’

Ik blijf ommetjes maken, nog steeds loopt er geregeld een zoon mee. Ongeacht het weer of hoe je dag is, knap je ervan op. Ik ben en blijf een zoetekauw. Op vrijdag eet ik een hele droge worst en na een potje tennis eet ik graag chips en ook dat zal zo blijven. Uitgangspunt is de tachtig-twintig regel; tachtig procent vul je gezond in, twintig procent laat je vrij. Zoals de trainers verkondigen: word geen extremist, houd het leuk, ook voor je omgeving. Plant kleine zaadjes, de oogst komt later. Er komt steun uit onverwachte hoek. Jongste zoon ontdekt in de lente het hardlopen. Als gevolg merkt hij dat zijn lichaam meer behoefte krijgt aan gezonde voeding. Weg met de diepvriespizza’s, kom maar door met fruit en groente. Als we in oktober meedoen met de Lentis Socialrun, samen door de weilanden, hij rennend, ik op het fietsje erachteraan, geeft me dat een blij en trots gevoel. De laatste bijeenkomst is in juli. Ik ben op vakantie, in een havenhuisje in het Gelderse Tiel. De man die zo vaak vraagt ‘hoelang duurt die training,’ werpt zich op als rots in de branding. Hij is de halve ochtend in de weer met de laptop, de telefoon en de ICT-Helpdesk voor dat magische woord: verbinding. Terwijl ik op de achtergrond aan het mopperen ben wanneer het duurt en duurt. (Niemand van de groep heeft hier iets van meegekregen.) Bedoeling deze laatste keer is dat we een pitch verzorgen. Je beleids­plan voor de afdeling. We hebben geleerd: hoe kleiner en hoe concreter je plan, hoe meer kans op succes. Ik vertel over hoe ik door wil gaan met het wandelcontact met de jongeren. Ik krijg als feedback dat ik enthousiast overkom. ‘Ga zo door Ursula.’ Met een blij gevoel klap ik de laptop dicht. Ik mag mezelf leefstijlcoach noemen. Vriend kijkt vooral opgelucht. Dat ik direct daarna naar de cafetaria op de camping ben gelopen en me tegoed doe aan een patatje met een flinke klodder mayo heeft niemand van de groep gezien. Die twintig procent hè.