Door Mariëlle Splint

Anne en Herman gingen met pensioen in coronatijd

Terug­kijken op de jaren bij Lentis

Tot laat op de avond mailden we over de vraag of dit interview de volgende dag wel door zou kunnen gaan. Rutte had die dag vanuit het torentje gesproken, de volledige lockdown was een feit. De volgende ochtend zouden Herman, Anne en ik in een ruimte op Dennenoord samenkomen. Hoe was het met deze mannen, graag geziene collega’s, die vlak voor of tijdens de corona pandemie met pensioen gingen? Nadat ze zo’n 40-45 jaar geleden op Dennenoord begonnen, was dit wel een vreemd eind van die tientallen jaren trouwe dienst. Dat was dan ook de aanleiding voor dit interview: hoe kijken ze terug op hun carrière en op Lentis, en hoe gaat het nu met hen? Ze begonnen ooit beiden bij de opleiding voor psychiatrisch verpleegkundige. Het scheelde slechts een jaar of drie of ze hadden in dezelfde klas gezeten.

Herman Anema In 1979 begon Herman aan de B-opleiding op Dennen­oord, tot psychiatrisch verpleegkundige. Op verschillende afdelingen gewerkt als verpleeg­kundige en teamleider, tot maart 2020. Ook zijn vrouw Femke werkte jarenlang op Dennen­oord. Herman kon nog net afscheid nemen op de Linden­hoek, vlak voor de eerste lockdown een feit was.

We besloten de nieuwe lockdown niet volledig roet in het eten te laten gooien en het interview buiten te houden. Al wandelend – met telefoon op selfie-stick als geïmproviseerde microfoon – én op gepaste afstand liepen we naar twee plekken die voor Anne en Herman van betekenis waren. Allereerst: hoe bevalt jullie pensioen? Wat had je ervan verwacht, en hoe bevalt de realiteit? ‘Ik moet zeggen dat ik me ook goed heb voorbereid,’ trapt Anne af. Ik ben steeds minder gaan werken, de afgelopen jaren, en ben ook alvast allerlei plannen gaan maken wat ik zou gaan doen – en dat ben ik ook gaan doen. Ik doe iets met statushouders, ben mentor geworden van een licht verstandelijk gehandicapte man, en ik ben Arabisch aan het leren. Dat laatste ook een beetje met oog op zijn contacten met statushouders, maar ook om nog eens iets geheel anders te doen.’ Dat het ook een stukje hersengymnastiek is ontkent hij niet. Herman was ook al een tijd aan het afbouwen op de Lindenhoek, toen op de valreep Zuiderpaviljoen nog een beroep op hem deed en hij weer voltijd aan de slag ging. ‘Het is heel goed geweest dat dat ook nog even tussendoor kwam, omdat dat eigenlijk een stukje herordening bracht van waar ik mee bezig was. Als we het over het pensioen zelf hebben had ik zoiets van: oké ik stop ermee. Ik vind werken leuk maar ik vind vrije tijd zo langzamerhand ook wel leuk om in te vullen. Iets van een aarzeling had ik wel zeker – zal ik toch niet langer door blijven werken? – maar het bevalt me zeer goed. Ik doe nu een paar keer het hertenkamp (op Dennenoord dus, red.) in de week, met een paar patiënten, dat is toch het mooiste wat er is.’ De verwachtingen van het pensioen werden overtroffen. ‘Het is een stuk relaxter, in ieder geval,’ aldus Anne, ‘en mijn vrouw vindt het wel lekker dat ik nu wat meer aan het koken ben. Wat ik wel gemist heb is het goed afscheid nemen van een aantal mensen. Het klinkt misschien gek maar het werk zelf mis ik eigenlijk niet.’ Herman mist het contact met zijn oude collega’s op de Lindenhoek. In het bijzonder noemt hij psycholoog Els Reinink. ‘Wat dat betreft heb ik gewoon eigenlijk een ontzettend goede periode meegemaakt, in de hele opbouw en hoe we dat op de Linden­hoek neergezet hebben. Een geweldig klimaat. Ik moet daar vaak aan terug denken. In 2010 heb ik een burn-out gehad, en die samen­werking met Els, ook het vertrouwen van ‘het komt wel weer goed’, dat ik zo’n collega mocht tegenkomen is fantastisch geweest. Dus de herinneringen zijn gewoon heel goed, maar af het toe gaat het door je heen: ach als ik nog aan het werk was geweest, was het ook goed geweest.’

Al lopend zijn we bij het hoofdgebouw aangekomen, waar Anne ons mee naartoe wilde nemen vanwege een bijzondere boom. ‘Ik moest denken aan een cliënt die zei: ‘Ik voel me al mijn hele leven een treurwilg’. Zij had daar een somber, naar plaatje bij. Toen heb ik haar een foto gestuurd van deze boom, midden in de zomer, en ik zei: ‘Dit is een prachtige boom, vergis je niet.’ En dat vind ik eigenlijk nog steeds wel. Dus ik vind het zoeken naar die combi belangrijk. Er is niet alleen dat treurige, er is ook die andere kant.’ Wanneer ik vraag waarom ze zo lang voor Lentis bleven werken, wordt genoemd dat Lentis een goede werkgever was en collega’s een belangrijke rol spelen om je ergens thuis te voelen. Toch zijn beide heren niet onverdeeld positief. Herman vertelt dat de organisatie ook afleidend kon werken. ‘Ik heb me toch altijd meer gericht op ‘waar ben ik voor?’, namelijk de patiënten waar je mee te maken had, dan me bezig te houden met de omgeving die iedere keer weer verstorend was. Ik heb gelukkig altijd de ruimte gekregen om met m’n eigen team iets op te bouwen, en niet iedere keer de grillen van de organisatie over je heen te laten gaan. In de loop der tijd is de organisatie groter en afstandelijker geworden, in plaats van de vraag ‘hoe gaat het met de patiënten?’ verschoven de vragen naar: hoe staat het met de financiën, hoe staat het met de productie, en hoe staat het met verzuim? Men wil wel dat de inhoud de boventoon voert, maar men doet het niet. Je ziet dan ook steeds vaker dat mensen zich niet meer binden aan een organisatie, maar ieder voor hun eigen ding komen. Is dat dan echt patiëntenzorg?’ Anne herkent dit. Hij beschouwt het ook als een van de taken van een geestelijk verzorger om vanuit de eigen redelijk vrije positie kritisch te zijn op de organisatie, wat overigens ook door de bestuurlijke lagen gewaardeerd werd. ‘Maar ik ben ook wel loyaal naar Lentis want ik weet dat het ontzettend ingewikkeld is om zo’n grote organisatie te besturen en om daar iets goeds van te maken.’ Lentis heeft besloten dat haar verschillende onderdelen in 2023 weer ontvlecht moeten zijn. Is dat iets waar een kans ligt of zie je ook valkuilen? ‘Ik denk zelf dat dit meer iets van de bestuurders is, en dat de mensen op de werkvloer daar voor een groot deel eigenlijk helemaal niet zo mee bezig zijn. Ik geloof daar zelf niet zo in. In algemene zin denk ik: je moet je druk maken om de dingen die je kunt veranderen, in de tussentijd doe je gewoon je werk. Heel veel dingen gaan ook zoals ze gaan. Blijf lekker aan het werk.’ Herman deelt wel wat Anne zegt. ‘Ik heb toch altijd hoop dat je weer teruggaat naar je kerntaak: er zijn voor de mensen. We hebben op een gegeven moment gezegd ‘we gaan alles decentraliseren’. Dat heeft mooie kanten, maar we zijn ook best dingen kwijtgeraakt daardoor. Hoe kun je dat ‘centrale’, de manier waarop we toen werkten, niet qua werkplek maar wel weer in je werkvisie terugkrijgen. Waar gaat het om met onze patiënten, en hoe kun je dat bundelen, daar eenheid in scheppen? Het gaat niet om de organisatie. Als je het hebt over terug naar de kern gaan zeg ik: zorg voor meewerkende leidinggevenden, goede ondersteuning en houd de financiën lokaal op afdelingsniveau zodat de zorg centraal komt te staan. Er wordt geen idee meer afgemaakt. Mensen komen met goede ideeën, maar daar blijft het bij want niemand pakt het op. Dan is er in een keer weer het volgende goede idee, wat ook weer niet opgepakt wordt. Er moet binding en doorzettingsvermogen zijn om samen projecten aan te gaan.’

Anne Gietema Deed tussen 1973 en 1976 de B-opleiding op Dennenoord. Na een tijd als verpleeg­kundige gewerkt te hebben ging Gietema theologie studeren, en kwam als geestelijk verzorger weer op Dennen­oord terug. Hij werkte met name bij Dignis, maar ook bij enkele Lentis locaties. Anne kon afgelopen juni geen afscheid nemen van bewoners en mede­werkers in verband met de corona­maatregelen.

Voor Herman is het duidelijk. Er moeten meer directe lijnen tussen de verschillende lagen in de organisatie komen. Anne vult aan: ‘Ik denk dat de afstand tussen leidinggevenden en het echte basiswerk wel te groot is geworden. Het is een beetje lullig om te zeggen, maar die hele toeslagenaffaire heeft ook wel laten zien dat er bovenin hele andere dingen gedacht worden dan er onderin gedaan worden. Dat is zeker in een grote organisatie als Lentis wel aan de orde. In die zin is het ontvlechten wel weer een kans om wat dichter bij die werkvloer te komen.’ Die verbinding is er wel geweest. ‘Het moment dat mij in al die jaren wat de organisatie betreft het meest bijgebleven is, is dat we met z’n allen in de Schouwburgzaal zaten en ‘Lentis’ werden. We waren niet meer dat kleine Dennenoord, maar zouden de provincie gaan veroveren. De nieuwe naam werd echt gelanceerd. Dat maakte wel indruk.’ Voor Herman was het moment van decentralisatie het meest indrukwekkend, een trend die in de jaren ’80 werd ingezet. ‘We waren voorheen erg naar binnen gericht. De psychiatrie moest dichter naar de mensen toe. Dat was voor patiënten ook een bijzonder project. Mensen die hier op chronische afdelingen zaten konden ineens in de stad gaan wonen, en hier in het dorp. Eerst dacht ik, kan dat wel? Dat de opnamekliniek naar de stad ging bijvoorbeeld. Dan kom je vanaf dit mooie park ineens aan de Hereweg te zitten, is daar wel ruimte voor deze mensen? Ja het waren bijzondere stappen, maar ontzettend goede stappen eigenlijk. Die decentralisatie is de omwenteling van de psychiatrie geweest, om de psychiatrie naar de maatschappij te brengen, het stigma te veranderen. Er was een visie: dit moeten we laten slagen, alle hens aan dek. In projecten vandaag de dag moet dat gevoel, dat hart voor de zaak, weer opnieuw gaan bloeien.’ We zijn inmiddels aangekomen bij de plek die Herman uitgekozen had. We staan voor de hoofdingang van de Lindenhoek, de afdeling waar hij tien jaar werkte met Els en hun team, en de mooiste herinneringen aan heeft. Komt hij er nog wel eens? ‘Het is beter mensen in de beweging te spreken. Ik heb dat vroeger ook wel eens gehad, dat een oud-collega langs kwam. Dat was dan wel even gezellig met de koffie, maar ja, je moet ook weer gewoon aan het werk en dat voelt dan toch wat gek. Zo wilde ik het niet doen. Wat dat betreft heeft corona dat ook wel versterkt, je stapt toch niet zomaar meer ergens binnen. Ik spreek mensen af en toe bij het hertenkamp. Je hebt een goeie tijd gehad. Als je zo kunt denken dan kun je het ook afronden, anders blijf je er in hangen.’

Onze afspraak is vlak voor kerst. Het is een feest van gemeenschap, licht in de duisternis, een feest van hoop. Herman vertelt over een bijzonder moment. ‘Ik weet nog wel dat ik een keer met patiënten zat te eten, en ze waren allemaal depressief. Ze zaten allemaal met gebogen hoofd aan tafel. Toen had je nog eten in grote pannen. Dus ik opscheppen, hoofden allemaal naar beneden, dus ik denk ik ga eens even heel wat anders doen: ik pak die grote pan, en ik ga niet opscheppen maar pak het gewoon met mijn hand en smeer het zo op mijn kop. En ik zal je wel vertellen; al die mensen gingen lachen! En de volgende dag zeiden ze: kom jij weer eten!? Dus ja, de creativiteit om mensen in beweging te krijgen, dat is altijd wel een leuke uitdaging.’ Wat kerst betreft vertelt Anne: ‘Ik was altijd wel onder de indruk van de kerstdiensten in de Ontmoetingskerk,’ vertelt Anne. ‘Vooral de manier waarop cliënten meededen in die diensten. Roelof Siebelink die zong bijvoorbeeld. Zodra het weer kan en mag, kom ik naar hem luisteren. We moeten elkaar in de tussentijd een beetje blijven opzoeken.’ ‘Heb aandacht voor elkaar’, vult Herman aan. ‘In deze tijd van corona is er nog heel veel wat wél kan. Je kunt met elkaar wandelen, met elkaar praten, je kunt aardig zijn voor elkaar. Zelfs meer door de corona eigenlijk, omdat er ruimte is voor het verhaal van mensen. Dat geldt voor patiënten, maar ook voor collega’s onderling. Ga daar naar luisteren.’ ‘Het gaat om die aandacht, en niet al die andere dingetjes’, stemt Anne in. Er zijn afgelopen jaar meer mensen met pensioen gegaan zonder dat zij voldoende afscheid konden nemen. Ken jij iemand van wie je zou willen horen hoe het nu met ze gaat? Stuur een bericht naar de redactie van Lentis magazine.