Ambulant verpleegkundige Nico Borg geniet van zijn vak

Met mensen werken is het mooiste dat er is

Portret

Ursula Sennema

Al op de mavo in Steenwijk wist de 16-jarige Nico dat hij de psychiatrie in wilde. Het is dan 1976. De zorg zat in de familie, hij kon goed met mensen, had er feeling voor. Gek­scherend: ‘Wat moest ik anders.’ De mbo-v was een logische stap. In Leeu­warden. Hij voelde dat hij er goed zat.

Ons gesprek vindt plaats bij FACT-Zuid, aan Laan Corpus den Hoorn. Nico’s standplaats. In een flexruimte. Op het bureau zijn blauwe broodbak met opschrift: Boer zoekt brood. Op de maandagmiddag, de middag die hij vrij plant voor administratie, ook omdat de vrijdag ervoor vaak een dag is dat er van alles tussendoor komt. Telefoontjes komen er ook dit uur langs. Als verpleegkundige/casemanager bij FACT gaat het werk altijd door ook al heb je een uur geblokt in je agenda. Zijn eerste werkplek op Dennenoord was Dennenhof, ook bekend als paviljoen 6, een woonafdeling. De eerste echte kennismaking met de psychiatrie. Er volgde een cursus in ziekenhuis Veldwijk in Ermelo waar hij leerde om als groepsverpleegkundige te werken. Daarop kwam een lange periode op het toenmalige Groenehage, dit viel onder de noemer ortho-psychiatrie. Deze plek maakte grote indruk op hem. Cliënten die elders moeilijk te hanteren waren, met allerlei verschillende diagnoses en gedragsproblemen werden hier geplaatst. ‘Ortho’ betekent maken wat stuk is, de visie van de afdeling en de psychiater bestond uit het ‘helen’ van patiënten. De opvatting was dat de oorsprong van de ziekte bij de familie lag, dat zij zelfs veroorzaker was. ‘Het was de tijd dat gedacht werd dat bijvoorbeeld een ‘koele moeder’ (mede) oorzaak was van schizofrenie. Onvoorstelbaar vandaag de dag. Familie werd verplicht bij de behandeling betrokken en heeft daardoor vast veel schuldgevoel ontwikkeld. Nu zeggen we: we hebben elkaar nodig en we willen familie juist steunen.’

Toen ik in 1989 trouwde kwamen de bewoners op mijn bruiloft. Zo ging dat toen.

Hoe het niet moet ‘Ook werd er destijds dwang uitgeoefend om cliënten aan activiteiten te laten deelnemen. Ik heb nog meegemaakt dat iemand werd gesepareerd omdat hij niet naar dagbesteding toe wilde. Een zware plek om te werken maar tegelijkertijd voor mij ook leerzaam. Leerzaam hoe het niet moet (lacht). We hadden wel een goed team met ervaren mensen. En ik heb ook de positieve kant gezien van een vast activiteitenaanbod, hoe belangrijk dit voor mensen is. Vanuit deze periode stamt bijvoorbeeld het opzetten van Refidé waar cliënten aan de slag konden om fietsen te repareren. Maar dat dwingende, zeker achteraf gezien, dat ging ten koste van mensen. Ik kan er nog boos om worden als ik hoor dat hulpverleners opmerkingen maken als ‘wat wil je ook met zulke ouders’.

Bruiloft In 1987 maakte Nico de overstap naar De Heuvel. Een kleinschalige woonvoorziening voor acht bewoners die toe waren aan meer zelfstandigheid. Bij de groep was sprake van psychiatrie in combinatie met een verstandelijke beperking. ‘Ik heb ook affiniteit met deze groep dus dat trof. Een mooie periode. We hadden een klein team, het werken voelde relaxed. Je ging met de mensen koken of andere activiteiten ondernemen. Eens per jaar met de groep op vakantie, in een busje naar de Achterhoek. Hartstikke mooi. Toen ik in 1989 trouwde kwamen de bewoners op mijn bruiloft. Zo ging dat toen. De diensten kon ik goed combineren met mijn jonge gezin.’ In de jaren negentig kwam de ambulantisering op gang. Opnames werden korter, cliënten waren beter af in hun eigen omgeving, met behandeling in de thuissituatie, zo was het idee. Borg volgde dit met interesse. In Groningen werd een Zorgcoördinatieteam opgericht, al spoedig kwam een tweede team: Zorgcoördinatie Zuid. Dit was eind jaren negentig. De zorgcoördinatieteams waren de voorlopers van de huidige FACT-teams. ‘Het klinisch werken had ik inmiddels gezien en ik kende mensen die bij de oprichting van het nieuwe team betrokken waren. Zo rolde ik erin. Eerst werkten we vanuit De Fazant, op het Dennenoord-terrein. Ik vond het interessant, mooi, maar ook spannend, je eigen caseload. Het was nieuw, het was ook wat pionieren. In de beginjaren was onze doelgroep gemêleerder. BinG, waar cliënten met verslavingsproblematiek later terecht konden bestond nog niet, dus die groep bedienden wij ook. Net als de daklozen en de bemoeizorg-cliënten. Je had soms een lange adem nodig om überhaupt contact te krijgen.

Ik ben niet iemand van het hele therapeutische, van de ingewikkelde gesprekken.

Rehabilitatie Wat wel gemakkelijker was dat Lentis destijds zelf activiteitencentra had. Zonder indicatie konden mensen hier snel starten. Dat vind ik wel jammer dat dit niet meer zo is, en dat de creatieve therapie en de psychomotore therapie voor een groot deel zijn opgeheven. De rehabilitatie-benadering was in opkomst, deze manier van werken paste goed bij mij, een boeiende omslag in denken. Kijken naar mogelijkheden, naar wat mensen wel kunnen in plaats van niet. Cliënten gingen op zoek naar betaald werk, perspectief hoe situaties verder verbeterd kon worden werd belangrijk. In het ambulante veld ervoer ik meer gelijkwaardigheid; als je bij iemand thuiskomt moet jij je aanpassen. Al met al hebben we veel stappen vooruit gezet als ik dat vergelijk met vroeger.’ Nico kreeg te maken met de toegenomen ‘papierwinkel’, met meer administratieve taken. En meer regelgeving en overhead. ‘Tja, we zitten met elkaar in het systeem dat je elke minuut dient te verantwoorden. Het geld is leidend geworden voor de zorg. Jazeker vind ik dat jammer, maar je moet je er wel aan committeren. Voor mezelf geldt dat ik er me niet al te druk over maak. Ik richt me op het contact en als ik een keer met de administratie of registratie achterloop dan hoor ik dat wel.’

Basis is het contact Nico geniet van het contact met cliënten. Dat was zo toen hij als broekie begon en dat geldt nog steeds. ‘Het werk is afwisselend en brengt veel vrijheid mee. Ik heb m’n eigen agenda. We werken bij FACT met shared-caseolads, verschillende disciplines doen mee in de zorg. In het begin moest ik daar wel aan wennen, maar nu denk ik een goede zaak; samen zie je meer en ik leer van mijn collega’s.’ ‘De basis is het contact. Ik ben niet iemand van het hele therapeutische, van de ingewikkelde gesprekken. Maar naast iemand staan, contact van mens tot mens, dat je meent wat je zegt, nabij bent als het nodig is, dat weegt voor mij zwaar. Zeg maar de presentiebenadering. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg is een beetje mijn motto. Het laagdrempelig zijn en inschatten wat bij iemand werkt, zijn denk ik aspecten die mij goed afgaan.’ De inwoner van Annen pleit voor meer openheid binnen de psychiatrie. ‘We zijn vaak een te gesloten bolwerk en dat is jammer. Bij mij op de voetbalclub heeft niemand een idee wat voor werk ik doe. Terwijl psychiatrische klachten zo veel voorkomen. Ik ben zelf open over mijn vak. Ook als het gaat om belangrijke informatie delen met naasten maak ik regelmatig de keuze dit wel te doen. Uiteraard weloverwogen. Dat hulpverleners zich soms al bij voorbaat verschuilen achter de privacy, daar kan ik niet goed tegen. Wees open en deel informatie waar het kan. Dan wordt zorg gezamenlijk.

moi jongens

Ontspannen Met sommige cliënten heeft hij al jarenlang contact. ‘Cliënten kunnen stabiel zijn maar dan kan het toch heel zinvol zijn om maandelijks even bij te praten. Contact geeft structuur en leidt mede tot stabiliteit.’ Ter illustratie: ‘In de gesprekken met een cliënt heb ik het vooral met hem over de boerderij, ik kom zelf ook van een boerderij, het groen en het buitenleven. Onze gezamenlijke interesse. Juist doordat je aansluit bij wat iemand prettig vindt, ervaar je vertrouwen over en weer.’ ‘Werk en privé scheiden gaat mij goed af, daar heb geluk mee. Om 17.00 ben ik vrij en is het klaar. Natuurlijk maak je wel eens iets mee waar je aan terugdenkt maar in principe kan ik het werk prima loslaten. En ik kan me goed ontspannen, dat is denk ik ook belangrijk. Bij de voetbalclub, in de tuin, of heerlijk op de fiets.’ (De interviewster heeft het genoegen gehad een aantal jaren met Nico te hebben samengewerkt. In een kleine kantoortuin. Waar ze op maandagochtend allereerst een kwartiertje de voetbaluitslagen doornamen. En waar ze Nico dikwijls van ver hoorde aankomen. Fluitend over de gang op zoek naar een werkplek. Rugzak over de schouder, een opgewekt gemoed. Eens waren ze samen op huisbezoek, ergens achteraf. Voor de flat stond een groepje scooterjongens, wat grimmige sfeer. Maar Nico liep erlangs en zei allervriendelijkst ‘moi jongens’. Als vanzelf klonk er ‘moi’ terug. De les die hij mij toen leerde; als het ergens moeilijk is; gewoon vriendelijk ‘moi’ zeggen.)