Door Anne Helmus


Helmus zoekt een lieve zuster

Mijn vriendje Gerrit heeft het al eerder in de gaten. Ik ben nog aan de slootkant bezig om met mijn zelfgemaakte visnetje stekelbaarsjes te vangen. Hij heeft het dreigende gevaar al in het vizier. De parkwachter en zijn gevaarlijk blaffende bouvier naderen snel. ‘We moeten er vandoor!’ roept mijn vriendje en rent weg. Ik pak de weckfles met daarin een mannetjes- stekelbaars met prachtige kleuren. In mijn ene hand het netje en in de andere de glazen pot begin ik, angstig achterom kijkend, te rennen.

In paniek let ik niet goed op. Door steeds achterom te kijken zie ik het obstakel in de vorm van een grote stenen pauw niet. De weckfles in mijn linkerhand knalt met een klap tegen het beeld aan. De glasscherven dringen diep door in mijn linkerhand. Er stroomt een warme gulp bloed uit. De binnenkant van mijn hand is een bloederige massa geworden waarin een aantal scherven zijn blijven hangen. Het kapotte glas heeft een grote wond veroorzaakt. Ik schrik en weet niet goed wat me overkomt. Gek genoeg is de parkwachter nu nergens meer te bekennen. Ik loop naar het fietspad, mijn hand hangt er slapjes bij. Een vrouw biedt aan om me achterop haar fiets thuis te brengen. Per ongeluk houd ik mijn bloedende hand boven haar kakikleurige zadeldekje. Bloedvlekken laten er onuitwisbare sporen na. De vrouw is hier niet blij mee en zegt bits dat ik zelf maar naar huis moet lopen. Thuisgekomen schrikt mijn moeder behoorlijk. Ze windt een doek om de hand en gaat op zoek naar de enige buurman met een auto. Al gauw zijn we samen op weg naar het ziekenhuis. Ik word steeds slapper en bleek van het bloedverlies. Ik kan snel worden geopereerd. Ze zijn lang bezig om de half doorgesneden pezen weer aan elkaar te hechten en ten slotte de wonden dicht te naaien en rondzwervende stukje glas met een pincet te verwijderen. De volgende dag word ik langzaamaan wakker. Slap en suffig van het bloedverlies en de narcose. Op de zaal liggen nog een aantal andere jongens. De verpleegster met ruisende rokken komt mijn ontbijt brengen. Mijn linkerhand wordt gemist bij het eten. Het is verpakt in gips en ik voel een flauwe pijn. Vrij snel knap ik weer wat op en begin aandacht voor mijn omgeving te krijgen. Het is buiten mooi weer. De zon schijnt door de hoge ramen. Ik mag niet uit mijn bed. Poepen doe ik op een ondersteek en plassen in een fles. De zusters helpen me daarbij. Ik leg me er maar bij neer en hoor van de dokter dat het wel weer goed zal komen met mijn hand. Na een paar dagen komt er een soort handenarbeidjuf langs met een karretje met materiaal om te knutselen. Ik ga op een mini weefgetouwtje een boekenlegger maken. Terwijl ik hier rustig mee bezig ben hoor ik dat twee andere jongens op zaal ruzie maken. De spanning loopt op en plotseling vliegt er een schaar van de knutseljuf door de zaal. De schaar komt wonderwel tussen de ogen van een van de ruziemakers terecht. De inmiddels toegesnelde zuster verwijdert de schaar. Beide jongens krijgen op hun kop. Daarna is het gezellig op de zaal en blijven verdere schermutselingen uit. Als ik op deze ziekenhuiservaring terugkijk, ik was een jaar of negen, heb ik daar wel een positief gevoel over. De tien dagen dat ik er lag waren best aangenaam. Ik kreeg lekker eten en meer beleg op mijn boterham dan thuis. De verpleegsters waren heel aardig en lief. School was even niet aan de orde en mijn ouders kwamen met bezorgde gezichten op bezoek. Even niets doen, aandacht krijgen en lekker in de watten gelegd worden, deden me wel goed. Ik las vaak lekker in mijn boek en lag een beetje voor me uit te kijken. Hopelijk worden de patiënten die opgenomen worden binnen Lentis ook een beetje verwend en krijgen ze veel aandacht en zorg. Misschien mag de setting van de opname wel wat luxer en meer comfortabel. Ik denk hierbij aan regelmatige voetmassages, fitness en sauna. Ik schrok een beetje toen de zuster zei: ‘Morgen mag je naar huis.’ Mijn moeder was er de volgende dag op tijd. Toen ik me met enige hulp begon aan te kleden bleek dat ze alleen ondergoed had meegenomen. Ik herinner me dit nog goed. Het was het zogenaamde jaeger ondergoed, beigekleurige wollen stof met daarop grote stempels met de merknaam. Ze moest weer met de bus naar huis om mijn gewone kloffie op te halen. Wachtend op haar terugkeer paradeerde ik rond in mijn ondergoed en had ik de lachers op de hand. Wellicht had ze onbewust mijn kleren wel vergeten omdat ze het misschien wel prettig vond dat ik een tijdje van de vloer was en dat misschien nog wel eventjes zo wilde houden. Alhoewel, het felgekleurde stekelbaarsje, dat tijdens het ongeluk verloren was gegaan, werd ruimschoots goed gemaakt door de grote kom met goudvissen, die mijn ouders voor me hadden gekocht.